NOORD DEURNINGEN - Allemaal leuk en aardig dat carnavalsgebeuren in Dinkelland, maar het échte feest van het jaar werd afgelopen weekend gevierd. Poaske! Want waar het carnaval pas sinds de jaren ’60 is komen overwaaien uit Duitsland, vieren wij Pasen al eeuwenlang op zo’n unieke wijze dat we het hebben geschopt tot de lijst van immaterieel erfgoed in Nederland. Afgelopen week schreef ik al dat we in Noord Deurningen niet één, maar twee paasvuren hebben. Nu is Noord Deurningen al niet heel groot, maar het dorp was al helemaal te klein toen 92 jaar geleden de St. Jozefkerk aan het begin van de Johanninksweg, aan de grens, en níet aan het eind van de Johanninksweg, in de Damshook, werd gebouwd.
Dit was tegen het zere been van de grote boeren die voornamelijk in de Damshook-buurt waren geconcentreerd, en die hadden de kerk liever in hun eigen buurt zien verschijnen, nabij de Bonifatiusschool. Daar woonde immers altijd het grootste deel van de populatie. Dat dit richting de grens was verschoven, zou alleen maar veroorzaakt zijn door import van ‘textielarbeiders en kanaalgravers’. De kerk in Denekamp besliste echter anders. Logischerwijs werd er rondom de nieuwe kerk ook een nieuwe bebouwde kom en school gebouwd, waardoor Noord Deurningen een volwaardig dorp werd met het dorpscentrum aan de grens. En uiteindelijk is dat ook allemaal goedgekomen. Maar dan is het Pasen. Met tradities die nog veel ouder zijn dan welke kerk of school dan ook. Opeens is het dorp weer verdeeld in twee gedeelten, want er wordt niet aan tradities getornd. De ene kant sluit zich aan bij het paasvuur tegenover de oude Bonifatiuskerk in de Damshook en de andere kant hoort bij het paasvuur tegenover de St. Jozefkerk. Dit ene weekend ontstaat er ook een gezonde rivaliteit binnen het dorp. De kant van de Damshook noemt zich het echte Noord Deurningen. De andere kant wordt aangeduid als de greans of ginner kaant Noord Deurningen. Hoe ze het aan de andere kant noemen, weet ik niet. Opa kwam namelijk uit de Damshook en reed daar – net als later mijn oom – met de trekker mee. Dus weet ik niet anders dan dat wij bij dat paasvuur ‘horen’. Het blijft altijd enigszins vreemd wanneer we met de twee groepen trekkers uit Noord Deurningen elkaar op paaszaterdag passeren, terwijl we met hetzelfde bezig zijn. Met een schuin oog wordt er toch altijd stiekem gekeken wie het grootste paasvuur heeft – de eer die eigenlijk altijd wordt gewonnen door de Damshook dankzij een bescheiden bijdrage van Oosterik – en wie met de meeste trekkers op pad gaat. Vroeger had ‘het echte Noord Deurningen’ altijd veel meer trekkers, tegenwoordig niet meer. Dat krijg je als er boeren gaan stoppen. Kleine verschillen zijn er ook: wij hebben een Judas en Iskariot en ‘de grens’ heeft poaskearls. Ook gaan wij na het hoalt haal’n naar De Zoeke en heeft de grens een tent naast hun paasvuur. Allebei gezellig. Wel heeft de grens een huifkar mee, die hebben wij dan weer niet. Maar een absoluut pluspunt is er voor het echte Noord Deurningen waar de paasstaak nog op traditionele wijze wordt opgericht, terwijl ze aan de grens een kraan inzetten. Menig lezer zal nu denken: kunnen ze dat niet samenvoegen tot één paasvuur met veel trekkers en strikte naleving van de tradities? Pasen is immers een feest van verbroedering. Maar dat blijft voor velen vloeken in de kerk. Ik waag mij er in ieder geval niet aan. Want voor je het weet ben ík de Judas van Noord Deurningen.