COLUMN - Als verwaande Nederlander kwam ik afgelopen week terug van vakantie uit Bosnië en Herzegovina. De hoofdstad Sarajevo wordt vanwege de mix van religies het Jeruzalem van het Oosten genoemd. Daar bleek geen woord aan gelogen toen we bij een authentieke Bosnische theeschenkerij toch een deurtje verder moesten voor de overgang naar een pintje.
Enkele meters verder draaide vrolijk een varkentje aan het spit. In Mostar was het goed toeven in het centrum onder de iconische Ottomaanse brug. Buiten de stad wordt het beeld dan weer gedomineerd door het maar liefst 33 meter hoge christelijke kruis op de naastgelegen Humberg. De kerkklokken zijn soms nog niet uitgeluid of de islamitische gebedsoproep (de Azan) schalt over de daken. Dertig jaar geleden werden de Bosniakken, Serviërs en Kroaten er tegen elkaar uitgespeeld om een oorlog te ontketenen – waarvan de sporen nog overal zijn te zien. Maar inmiddels komt het toerisme op en zijn er steeds meer buitenlanders die de natuurpracht en culturele rijkdom van het land weten te ontdekken. Nergens anders in Europa zie je het contrast van verschillende culturen die letterlijk door elkaar leven. Als mensen van het platteland trokken we ook nog even de bergdorpen in te zien hoe er wordt geboerd zonder stikstofmaatregelenpakket. We dachten in Lukomir met de neus in de boter te vallen op de lokale oldtimerdag, maar het bleek de lokale loonwerker in actie te zijn. Hier hebben de trekkers GPS, maar in het dorp op 1500 meter hoogte is er nog nooit een GPS-signaal gevonden. De knapste machinale prestatie werd echter niet geleverd door het lokale landbouwarsenaal, maar door onze Renault Clio huurauto. Over geitenpaadjes vol gaten en puin – tussen hoofdschuddende 4x4-bestuurders – bracht het groene beestje ons naar toppen waar zelfs de geiten hoogtevrees kregen. Er werd ook gehooid. Niet door een opraapwagen van twee ton, maar met een familiefeest van zes ooms, drie neven en een tante met hooivorken. De Twentse toerismemarketingbureaus promoten de streek wel eens met de fancy term slow living. Maar in Lukomir kraait zelfs de haan nog in zwartwit. Als consumerende westerlingen in een land waar op vakantie gaan iets onbekends is – werd er uiteraard ook bezinning gezocht. En wel bij klooster Blagaj Tekija. In een prachtig rustgevend natuuroord leidde de gids ons door sobere kamertjes terwijl hij ons vertelde hoe de monniken er bewust leefden in eenvoud en armoede. De doden nemen geen bezit mee en staan weer gelijk, dus was het leven in de natuur in hun filosofie alles waar ze om gaven. Na afloop vroeg de gids of er nog vragen waren. Onder een grote strohoed en zonnebril nam een Hollandse koude kakmadam – die als buurvrouw van Ma Flodder niet had misstaan – op hooghartige wijze het woord. Verwaand braakte ze uit dat ze bij de monniken in Japan in was geweest én adviseerde de gids ongevraagd om er ook eens een kijkje te gaan nemen omdat het er net iets bijzonderder was. De gids nam het advies vriendelijk ter harte, terwijl hij nog nooit zo’n slechte luisteraar zal hebben gehad. Verbijsterd verzweeg ik mijn nationaliteit terwijl mijn tenen krulden van plaatsvervangende schaamte.