COLUMN - Voor ons huis is het op gezette tijden een stilstaande optocht van containers. Gezellig. Afwisselend kijken we naar oranje, groene en zwarte deksels. Steeds keurig naast elkaar opgesteld en, nadat ze zijn geleegd, worden ze liefdevol weer opgehaald. Eigenlijk zie je hetzelfde patroon als bij kinderopvang Calimero ’s middags rond de klok van half zes.
Afgelopen vrijdag was er iets aan de hand. Van de acht bakken die er staan, heeft er eentje de vorm van een blauw grijze sneeuwpop. Alleen de bolhoed ontbreekt. Die bak is open en drie vuilniszakken toren er bovenuit. We kijken er met verbazing naar. De geraniums en ik. Is dit een staaltje moderne kunst of een hoopje krakkemikkige kitsch? Ik loop naar buiten. Het vuil rondom de gestapelde zakken waait me tegemoet. Als bijen op de honing. Ik raap de viezigheid op. Op elke bak staat een huisnummer. Nieuwsgierig erop af. Wil toch even weten of er een nieuwe Jan de Bouvrie is komen te wonen, zouden we in buurt vereerd mee zijn, of dat Gerard Gemakzucht is gearriveerd. De vuilniszakken zullen bij het opladen bij ons op het paadje of in de tuin belanden. De buurt gunt mij de hele wereld, dat weet ik, maar dit is toch te veel van het goede. Aanbellen. Gestommel. De voordeur blijft dicht. Nog een poging. Luikje gaat niet open. Ik loop terug en verdeel de drie vuilniszakken over de andere bakken. Het legen verloopt vlekkeloos. Geen centje pijn. Wijze les van de Duitsers: nicht ärgern, nur wundern. Vrolijk leef ik verder. Peters Pen